martes, 1 de septiembre de 2020

De bevrijding van België en de laatste vlucht van Cecil Frederick O’Donnell Quiros - La liberación de Bélgica y el último vuelo de Cecil Frederick O'Donnell Quirós


België en Costa Rica tijdens Wereldoorlog 2 deel 21
De bevrijding van België
Op 2 september 1944 staken de geallieerden de Frans-Belgische grens over en startten ze met de bevrijding van België. De Amerikanen trokken naar Wallonië om daar de Duitsers te verdrijven, de Britten, de Canadezen en de Polen richtten zich op Vlaanderen.
Rongy was het eerste Belgische dorp dat door de Amerikanen werd bevrijd op 2 september. Een dag later volgde Brussel en op 4 september Antwerpen. Vermits de Franse havens nog in Duitse handen of grondig verwoest  waren, kwam het erop aan de troepenbevoorrading langs de Antwerpse haven te kunnen organiseren die nodig was voor de definitieve aanval op Duitsland.  Mede dankzij het verzet kwam de haven bijna ongeschonden in handen van de geallieerden.

De bevrijding van Brussel/La liberación de Bruselas (Fotos:Het Journaal van de Eeuw, TV1)

De haven kon echter nog niet gebruikt worden vermits de Scheldemonding (in Nederland, op 80 kilometer van Antwerpen) nog in Duitse handen was. De slag om de Schelde duurde nog 85 dagen. Na de verovering van Zuid-Beveland en Walcheren (beide gelegen in Nederland) en na de zuivering van de Scheldemonding van de aanwezige mijnen, kon de haven gebruikt worden.
Vanaf 26 november liepen de eerste konvooien de haven binnen. Ook kwam er een schip toe met gerecupereerde kerkklokken.  Eind juli 1944 waren er immers ongeveer 4568 klokken met een totaal gewicht van 3.794.225 kilogram uit de Belgische kerken en kapellen weggenomen en naar Duitsland vervoerd waar men ze omsmolt tot kanonnen. De diefstal van deze kerkklokken had de Belgische bevolking sterk aangegrepen en op vele plaatsen kon men dan ook de volgende leuze lezen : “Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet”.
(Foto:Het Journaal van de Eeuw, TV1)

Met de verovering van Zeebrugge op 3 november 1944 was het ganse Belgische grondgebied bevrijd.

Mijn familieherinneringen
Zoals reeds vermeld in vorige artikels waren mijn grootouders bij het verzet  N.K.B. (Nationale Koninklijke Beweging) afdeling Deurne en Haven ressorterend onder de “Witte Brigade”.  Dagelijks deed mijn grootvader, als inlichtingsagent, een verkenningstocht met zijn fiets.  Op zondag 27 augustus 1944 trof hij in de Boze Dreef, op de grens van Deurne met Wijnegem, een Duitse soldaat aan, verstopt in een gracht. Hij was 37 jaar en afkomstig uit Düsseldorf. Zijn naam was Hans Weyergraf, hij was gedeserteerd uit zijn eenheid en had inlichtingen, rapporten en een plan  van het volledig gevechtscomplex van de Duitsers aan en om Fort I te Wijnegem bij zich. Hij wou die overhandigen aan de geallieerden. Vermits die nog niet in België waren gearriveerd, besloot mijn grootvader om deze Duitser bij zich thuis te verstoppen, goed wetende dat dit levensgevaarlijk was, niet alleen voor hem maar voornamelijk ook voor zijn gezin met vrouw en 4 kinderen. 
Op 31 augustus kregen mijn grootouders al bezoek van 2 Duitse Wehrmacht Officieren die kwamen vragen of er gedeserteerde soldaten in huis waren. Na een zoektocht in het huis werd Hans Weyergraf niet gevonden. Hij zat verstopt onder het bed in de slaapkamer. Een dag later kregen ze opnieuw bezoek, deze keer van de Vlaamse SS. Opnieuw werd het huis en de binnenplaats volledig doorzocht. Deze keer zat Hans Weyergraf verstopt in het toilet.  Toen één van de SS’ers de deur wou opendoen, vroeg mijn grootmoeder, heel koelbloedig : “dat is het toilet, wat heb je daar te zoeken ?”.  De SS’er liet de deurklink los en ging elders verder zoeken en Hans Weyergraf werd opnieuw niet gevonden.  God zij dank was dit goed afgelopen. Anders zou er niemand geweest zijn die dit had kunnen navertellen.
Enkele dagen later hebben mijn grootvader en mijn moeder Hans Weyergraf dan naar de Drubbel kazerne in de Begijnenvest te Antwerpen gebracht.  De man was mijn grootouders uiteraard zeer dankbaar en heeft nog vele jaren brieven geschreven en kerstwensen gestuurd maar deze werden nooit beantwoord. Het lag immers zeer moeilijk om in die eerste jaren na de Wereldoorlog te corresponderen met de gewezen vijand.
Mijn grootouders/Mis abuelos

Toen de Canadese Divisie “The Calgary Highlanders” half september in Wijnegem aankwamen en een beschadigde sluisdeur boven het Albertkanaal kozen als oversteekplaats wisten ze niet zeker of er Duitsers verschuild zaten aan de overkant.  Mijn grootvader stelde zich kandidaat om met zijn fiets langs het Albertkanaal over en weer te fietsen om dit uit te zoeken. Hij keerde ongedeerd terug maar van zodra de Canadezen hetzelfde deden, openden de verscholen Duitsers het vuur.    Door deze heldhaftige daad kreeg mijn grootvader een speciale vermelding op de dagorde van het Canadees leger met felicitaties.

De laatste vlucht van Cecil Frederick O’ Donnell Quirós
Cecil Frederick werd geboren in San José in februari 1922. Hij was de zoon van Cecil J. O’Donnell, een Engelsman en van Nelly Quirós Blanco, een Costa Ricaanse. Net als zijn oudere broer Vernor studeerde hij aan het seminarie in de hoofdstad en aan de St Ann’s Academy (nu de Archbishop Molloy High School) in Queens, New York. Hij studeerde af aan de Universiteit van Tucson, Arizona. Hij trad in februari 1943 in dienst bij de RCAF (Royal Canadian Air Force) in de basis St. Hubert P.Q. (Provincie Quebec) en in september van hetzelfde jaar studeerde hij af als officieel piloot in de No. 1 Bombing and Gunnery School in de RCAF basis Jarvis, Ontario. Kort daarna werd Cecil Frederick overgeplaatst naar Engeland en vervolledigde hij op 30 juli 1944 een reeds gevormde bemanning in Squadron 431 (bijgenaamd de Iroquois). Tussen 10 en 15 augustus voerde hij met zijn team 4 succesvolle bombardementen uit, 3 boven Frankrijk (La Pallice bij La Rochelle, Le Neuville en Falaise) en 1 boven Nederland (Soesterberg). In de nacht van 16 op de ochtend van 17 augustus 1944 werd er een aanval gepland op de havenstad Kiel (in Duitsland). In totaal namen 398 vliegtuigen aan deze operatie deel  (195 Lancasters, 144 Halifax toestellen en 9 Mosquitoes). Squadron 431 leverde 11 vliegtuigen; één daarvan keerde vroegtijdig terug met hydraulische problemen en 9 vliegtuigen bombardeerden het doelwit en keerden terug naar de basis. De Halifax van Cecil Frederick echter niet. Naast hem bestond de bemanning van het vermiste vliegtuig ook nog uit piloot Truman Helmer Dahle, navigator Harvard Darrell Frederick MacAllister, onderofficier George Edward Germiquet en sergeanten Dennis Edward Snell en Samuel Edward Crawley. Het stoffelijk overschot van Cecil Frederick werd gevonden en ligt begraven in het Kiel War Cemetery, Schleswig-Holstein, Duitsland.
Cecil Frederick O'Donnell Quirós (Foto:Anciens Combattans Canada)

Bélgica y Costa Rica durante la Segunda Guerra Mundial 21 parte
La liberación de Bélgica
El 2 de setiembre de 1944, los aliados cruzaron la frontera franco-belga y comenzaron la liberación de Bélgica. Los estadounidenses fueron a Valonia para expulsar a los alemanes de allí, los británicos, los canadienses y los polacos se centraron en Flandes.
Rongy fue el primer pueblo belga en ser liberado por los estadounidenses el 2 de setiembre. Bruselas siguió un día después y Amberes el 4 de setiembre. Dado que los puertos franceses todavía estaban en manos de los alemanes o fueron completamente destruidos, era cuestión de organizar los suministros de tropas a lo largo del puerto de Amberes; que eran necesarios para el ataque final en Alemania. En parte gracias a la resistencia, el puerto cayó en manos de los aliados casi intacto. 
Un tanque Sherman llega a Amberes con Robert Vekemans de la resistencia y el comandante británico coronel Silvertop en él/ Een Shermantank rijdt Antwerpen binnen met daarop Robert Vekemans van het verzet en de Britse bevelhebber kolonel Silvertop (colección/collectie Peter Taghon).

Sin embargo, el puerto aún no se podía utilizar, ya que el estuario de Scheldt (en los Países Bajos, a 80 kilómetros de Amberes) todavía estaba en manos alemanas. La batalla por el Escalda duró otros 85 días. Después de la conquista de Zuid-Beveland y Walcheren (ambos ubicados en los Países Bajos) y después de la purificación del estuario del Escalda, se pudo utilizar el puerto.
A partir del 26 de noviembre entraron en el puerto los primeros convoyes. También había un barco con campanas de iglesia recuperadas. Después de todo, a finales de julio de 1944, aproximadamente 4.568 campanas con un peso total de 3.794.225 kilogramos habían sido retiradas de las iglesias y capillas belgas y transportadas a Alemania, donde fundidas en cañones. El robo de estas campanas de las iglesias había afectado fuertemente a la población belga y en muchos lugares se podía leer el siguiente lema: “Quien dispara con las campanas no gana la guerra”.
(Foto:Het Journaal van de Eeuw, TV1)

Con la captura de Zeebrugge el 3 de noviembre de 1944, se liberó todo el territorio belga.

Mis recuerdos familiares
Como se mencionó en artículos anteriores, mis abuelos estaban con la resistencia N.K.B. (Movimiento Real Nacional) departamento de “Deurne y Puerto” parte de la "Brigada Blanca". Todos los días, mi abuelo, como oficial de información, realizaba un viaje de exploración con su bicicleta. El domingo 27 de agosto de 1944 encontró a un soldado alemán escondido en un canal en la calle llamado “Boze Dreef”, en la frontera de Deurne con Wijnegem (Amberes, Bélgica). Tenía 37 años y era de Düsseldorf. Su nombre era Hans Weyergraf. Había desertado de su unidad y tenía información y un plan de todo el complejo de combate de los alemanes en y alrededor del Fuerte I en Wijnegem. Él quiso entregárselo a los aliados. Como aún no habían llegado a Bélgica, mi abuelo decidió esconder en su casa a este alemán, sabiendo muy bien que esto era una amenaza para la vida, no solo para él sino principalmente para su familia es decir su esposa y sus 4 hijos.
El 31 de agosto, mis abuelos recibieron la visita de 2 oficiales de la Wehrmacht alemana que vinieron a preguntar si había soldados desertados en la casa. Después de una búsqueda en la casa, no fue encontrado. Estaba escondido debajo de la cama en el dormitorio. Un día después recibieron otra visita, esta vez de las SS flamencas. La casa y el patio fueron nuevamente registrados por completo. Esta vez Hans Weyergraf estaba escondido en el baño. Cuando uno de los SS quiso abrir la puerta, mi abuela preguntó, con mucha frialdad: "Ese es el baño, ¿qué haces ahí?". El hombre de las SS soltó la manija de la puerta y continuó buscando en otra parte y no encontraron a Hans Weyergraf. Gracias a Dios, esto resultó bien. De lo contrario, todos hubieran fallecido.
Unos días después, mi abuelo y mi madre llevaron Hans Weyergraf al cuartel Drubbel en la calle llamada “Begijnenvest” en Amberes. El hombre, por supuesto, estaba muy agradecido con mis abuelos y escribió cartas y envió deseos de Navidad durante muchos años, pero estos nunca contestaron; porque era muy difícil mantener correspondencia con un antiguo enemigo en los primeros años posteriores a la Guerra Mundial.
Hans Weyergraf

Cuando la división canadiense "The Calgary Highlanders" llegó a Wijnegem a mediados de setiembre y eligió una esclusa dañada sobre el canal Albert como cruce, no estaban seguros si había alemanes en turno en el otro lado. Mi abuelo solicitó ir y venir en bicicleta a lo largo del canal Albert para averiguarlo. Él regresó ileso, pero tan pronto como los canadienses hicieron lo mismo, los alemanes ocultos abrieron fuego. Este acto heroico hizo de mi abuelo una mención especial en la agenda del ejército canadiense con felicitaciones.

El último vuelo de Cecil Frederick O'Donnell Quirós
Cecil Frederick nació en San José, en febrero de 1922. Era hijo de don Cecil J. O 'Donnell, un inglés, y doña Nelly Quirós Blanco, una costarricense. Como su hermano mayor Vernor, estudió en el seminario de la capital y en St Ann's Academy (ahora Archbishop Molloy High School) en Queens, Nueva York. Se graduó en la Universidad de Tucson, Arizona. Ingresó al servicio militar en febrero de 1943 con la RCAF (Real Fuerza Aérea Canadiense) en la base de St. Hubert P. Q. (Provincia de Quebec) y se graduó en setiembre del mismo año como piloto oficial en el No. 1 Bombing and Gunnery School en la base de la RCAF en Jarvis, Ontario. Poco después, Cecil Frederick fue destacado a Inglaterra y el 30 de julio de 1944 completó una tripulación ya formada en el Escuadrón 431 (apodado Iroquois). Entre el 10 y el 15 de agosto, él y su equipo llevaron a cabo 4 bombardeos con éxito, 3 sobre Francia (La Pallice cerca de La Rochelle, Le Neuville y Falaise) y 1 sobre Holanda (Soesterberg). En la noche del 16 a la mañana del 17 de agosto de 1944 se planeó un ataque contra la ciudad portuaria de Kiel (en Alemania). En esta operación participaron un total de 398 aviones (195 Lancasters, 144 aviones Halifax y 9 Mosquitos). El escuadrón 431 entregó 11 aviones; un avión regresó temprano con problemas hidráulicos y 9 aviones bombardearon el objetivo y regresaron a la base. Pero el Halifax de Cecil Frederick no regresó. Además de él, la tripulación del avión desaparecido incluído el piloto Truman Helmer Dahle, el navegador Harvard Darrell Frederick MacAllister, el suboficial George Edward Germiquet  y los sargentos Dennis Edward Snell y Samuel Edward Crawley. Los restos de Cecil Frederick fueron encontrados y fueron sepultados en el cementerio de guerra de Kiel, Schleswig-Holstein, Alemania.
Cecil Frederick O'Donnell Quirós (Foto:Anciens Combattans Canada)

Bronnen/Fuentes:
België in de Tweede Wereldoorlog, Frank Decat, Luc De Vos, Herwig Jacquemyns
Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial
A Yorkshire Squadron: History of 431 RCAF Squadron, Bill Heron
The Bomber Command War Diaries
De bevrijding van Vlaanderen, TV Eén
https://calgaryhighlanders.com
https://www.cwgc.org 



sábado, 29 de agosto de 2020

Juan Loots y su influencia en la música Costa Ricana - Jan Loots en zijn invloed op de Costa Ricaanse muziek

JUAN LOOTS Y SU INFLUENCIA EN LA MÚSICA COSTA RICA
En el siglo XIX, los jóvenes aprendían a tocar un instrumento gracias al vecino que les enseñaba, pero ni a uno ni a otro le pasaba por la cabeza que aquello requería un estudio metódico ni muchísimo menos, que llegara a convertirse en la actividad principal para ganarse la vida. La única institución dedicada a la música en ese momento eran las bandas militares, una parte del pequeñisimo ejército costarricense. Por lo tanto, estuvieron íntimamente ligadas al desarrollo de la música en Costa Rica durante el siglo XIX y la primera mitad del siglo XX.
No se puede escribir la historia de la música de Costa Rica sin prestar atención a don Juan Loots. Este músico, compositor, director y flautista belga, quién también tocaba oboe y clarinete, puede considerarse el promotor de la educación musical. Antes de su llegada a Costa Rica en 1907, ya existían compositores nacionales de importancia, como don Manuel María Gutiérrez (autor del Himno Nacional) y don Rafael Cháves Torres (autor del “Duelo de la Patria”), sin embargo fue don Juan Loots el primero en intentar que la música, fuese más que una afición ocasional, y se convirtiera en una carrera y una profesión. 
El Maestro Juan Loots (Foto:Paginas Ilustradas, no. 158, 1907)

Don Juan Loots nació en Bruselas el 30 de junio de 1875. Su padre, don Guillaume François Loots, fue tipógrafo y periodista, y su madre, doña Adèle Marie Joséphine De Blaes, costurera de botas. Cuando don Juan tenía 9 años, sus padres se separaron y su matrimonio terminó. Estudió en el Conservatorio Real de Música entre 1886 y 1895. Recibió el segundo premio de solfeo en 1889 (con el profesor V.A. Bauvais) y un primer premio de flauta en 1895 (con el profesor Th. Anthoni). También estuvo inscrito en la teoría de la armonía.
Entre tanto, don Loots también cumplió el servicio militar. El 6 de octubre de 1891 ingresó en el Regimiento de los Carabineros y luego de su formación militar formó parte de la banda de este regimiento. Al mismo tiempo, tocaba en “orquestas ocasionales” en Bruselas y en otras ciudades de Bélgica. En 1904 se incorporó a la famosa orquesta del Teatro Real  de la Moneda.
Tras la muerte del compositor don Rafael Cháves Torres en 1907, el gobierno de Costa Rica buscaba un nuevo Director General de las bandas militares. El ministro plenipotenciario en Bruselas, don Manuel María de Peralta y Alfaro, se puso en contacto con don Loots para este puesto, quien, sin embargo, ya había recibido una propuesta para irse a trabajar a Nápoles (Italia). El músico decidió venir a Costa Rica principalmente aconsejado por su médico ya que el señor padecía de serios ataques de asma que se le empeoraban con el húmedo clima de Bruselas, especialmente en el invierno. Maestro Loots creyó que el clima del trópico le haría soportar mejor su padecimiento de asma. Sin embargo, la fría y lluviosa ciudad de San José, no era el soleado paraíso tropical que esperaba encontrarse.
Don Loots firmó su contrato con el gobierno del presidente don Cleto González Víquez el 10 de abril de 1907 y fue presentado a los músicos de la banda de San José el 25 de mayo. Tuvo que recurrir a un intérprete porque aún no hablaba español. Después de presentarse, les pidió que tocaran algo. Don Roberto Cantillano Vindas, uno de los músicos presentes, quien además era flautista como don Loots, recuerda que bajo la batuta de don Alfredo Morales tocaron una pieza de Verdi y una marcha militar. Don Loots escuchó con atención y, al final, para sorpresa de todos, aplaudió.
El maestro Loots se dedicó de inmediato a mejorar la técnica de ciertos músicos que no habían tenido la oportunidad de estudiar en el extranjero. Le esperaban muchas otras tareas: renovar y reparar los instrumentos, mantener un repertorio moderno muy variado y hacer más atractiva la profesión de músico. La mayoría de los músicos tenían alguna otra ocupación principal de la que podían vivir, por lo que hacer música era solo una actividad de ocio para ellos. Los numerosos ensayos y representaciones, casi gratuitos, eran por lo tanto a menudo excesivos, por lo que había cancelaciones regulares, justo antes de los conciertos. Para evitarlo, don Loots pidió aumentar los sueldos e introducir una pensión para los músicos.
El maestro Loots fundó la Escuela de Música Militar en 1909 para mejorar la formación de los músicos. El objetivo era por un lado formar a los jóvenes y por otro lado colocarlos en las bandas de música después de sus estudios. La escuela no fue realmente un éxito. Los aprendices de las provincias tenían que trasladarse a la capital. Así, creció el número de estudiantes de la banda San José, pero se redujo a más de la mitad en las otras bandas en Cartago, Heredia, Alajuela y Liberia.
En 1910, en honor del nuevo presidente, don Loots compuso una marcha titulada “Viva Ricardo Jiménez”, que fue su única obra escrita en Costa Rica.
En 1912 se casó con doña Marie Antoinette Aumart, una francesa radicada en Costa Rica que era propietaria de dos hoteles en la capital: Hotel San José y Hotel Washington. Así don Loots siguió el ejemplo de su hermana doña Diliana Adèle Françoise, siete años mayor y que también estaba casada con un francés.
Hotel Washington (Foto:chrisyo04)

El maestro Loots también era buen amigo de su compatriota don Aristides Romain. Fue él quien, como general del ejército costarricense, presentó por primera vez a don Loots a la banda militar. Todos los domingos en la noche, ambos se reunían para cenar con sus respectivas esposas. El general Romain se había casado con doña Micaela Mora Montes de Oca, una dama de alto linaje y bisnieta del ex presidente don Juan Rafael Mora. En su amplía mansión, el General Romain sirvió una cena estilo francés con platería comprada en París y con todos los detalles que se encontraban en esos tiempos en los mejores restaurantes de la Ciudad Luz.
En setiembre de 1914, a pesar de su asma crónica, don Loots regresó a Bélgica con don Romain para servir a su tierra natal durante la Primera Guerra Mundial. El maestro Loots fue asignado a un destacamento militar en Amberes que, tras la caída de esta ciudad, se retiró a la costa belga. El frío que venía del Mar del Norte ciertamente no favoreció la frágil salud de don Loots. Gracias a la compañía del general Romain ambos pudieron escapar de las garras alemanas, se refugiaron en Francia y después de un tiempo de espera, lograron viajar desde Avonmouth (Inglaterra) hasta Puerto Limón,  el 22 de febrero de 1915 en el barco “Barranca”, adonde arribaron el 11 de marzo.
El estallido de la Primera Guerra Mundial también afectó a la economía costarricense, y este hecho repercutió directamente en los ingresos fiscales. Como resultado, en 1915 los salarios de los empleados públicos, y por tanto también de los músicos, menguaron en un 33%. Se cuenta que el maestro Loots incluso prestó de su propio dinero para mantener a algunos de los músicos. La crisis continuó por varios años. También se redujo el presupuesto de la Escuela Militar de Música. Así volvieron los mismos problemas que ya existían cuando llegó en 1907: sin dinero para la compra de repertorios y nuevos instrumentos, bajos salarios y por tanto músicos desmotivados.
Por razones de salud, el maestro Loots renunció a su cargo de director general de bandas musicales en 1920 y se centró en un nuevo objetivo: fundar una orquesta sinfónica. A pesar de algunos intentos dignos de crédito, no lo consiguió. Él preparó el ambiente para el futuro establecimiento de una orquesta sinfónica nacional y con esta idea muchos músicos también se sintieron motivados para comenzar a componer.
El maestro Loots fallece el 2 de agosto de 1929 y está enterrado, junto con su esposa, en el “Cementerio General” de San José. Su buen amigo, el general Aristides Romain, también encontró allí su lugar de descanso final.

La labor que hizo don Loots durante su estadía de 22 años en Costa Rica fue de incalculable importancia. Sabía que solo se puede llegar a la cima con una educación sólida. Durante los años que estuvo a cargo de las bandas militares en Costa Rica, estas se reorganizaron, profesionalizaron y se incrementó el nivel de desempeño. Amplió el repertorio, intentó mejorar la situación económica de los músicos y fundó la primera escuela de música del país. También introdujo “la música como profesión” en el país.
El maestro Juan Loots era un profesional, conocía de lleno su oficio, y formó, entre otras cosas, a dos flautistas que tendrían un papel fundamental en la posterior Orquesta Sinfónica Nacional: su mejor alumno, don Roberto Cantillano Vindas, a quien el maestro Loots dejó su flauta de plata y don Juan de Dios Pérez. Ambos se convirtieron en maestros de muchos futuros talentos.
La flauta Louis Lot de Juan Loots/De Louis Lot fluit van Jan Loots

JAN LOOTS EN ZIJN INVLOED OP DE COSTA RICAANSE MUZIEK
In de 19de eeuw leerden jongeren een instrument bespelen dankzij de buurman die hen lesgaf. Het kwam niet bij hen op dat er een degelijke opleiding voor nodig was  en dat een instrument bespelen wel eens iets kon zijn waarmee je later je brood zou kunnen verdienen. De enige instelling die zich in die tijd met muziek bezighield, waren de militaire muziekkorpsen, een onderdeel van het kleine Costa Ricaanse leger, die zodoende nauw verbonden waren met de ontwikkeling van de muziek in Costa Rica gedurende de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw.
Men kan daarom geen  geschiedenis schrijven  van de muziek van Costa Rica zonder aandacht te besteden aan Jan Loots. Deze Belgische muzikant, componist, dirigent en fluitist, die ook hobo en klarinet speelde, kan worden beschouwd als de promotor van het muziekonderwijs. Uiteraard waren er voor zijn aankomst in Costa Rica in 1907 al belangrijke nationale componisten geweest, zoals Manuel María Gutiérrez (auteur van het nationale volkslied) en Rafael Cháves Torres (auteur van “Duelo de la Patria”) maar het was Jan Loots die als eerste benadrukte om van muziek een carrière en een beroep te maken. 
                                Jan Loots (Foto:El Espectador no. 8, 1929)

Jan Loots werd geboren te Brussel op 30 juni 1875. Zijn vader, Guillaume François Loots, was een typograaf en journalist, zijn moeder, Adèle Marie Joséphine De Blaes, een naaister van laarzen. Toen Jan 9 jaar was, gingen zijn ouders uit elkaar en was hun huwelijk teneinde. Hij studeerde aan het Koninklijk Muziek Conservatorium tussen 1886 en 1895. Hij behaalde de tweede prijs in solfège in 1889 (bij professor V.A. Bauvais) en een eerste prijs fluit in 1895 (bij professor Th. Anthoni). Hij was ook ingeschreven in harmonie theorie.
Tussendoor vervulde Jan Loots ook de militaire dienstplicht. Op 6 oktober 1891 kwam hij terecht in het Regiment van de Karabiniers en na zijn militaire opleiding maakte hij deel uit van het muziekkorps van dit regiment. Tegelijkertijd speelde hij nog mee in “gelegenheidsorkesten” in Brussel en in andere steden in België. In 1904 trad hij toe tot het beroemde orkest van de Koninklijke Muntschouwburg.
Na de dood van componist Rafael Cháves Torres in 1907 was de regering van Costa Rica op zoek naar een nieuwe Algemene Directeur van de militaire muziekkorpsen.  Gevolmachtigd minister te Brussel, Manuel María de Peralta y Alfaro, contacteerde voor deze functie Jan Loots die echter al een voorstel had ontvangen om in Napels (Italië) te gaan werken. De muzikant besloot, voornamelijk op advies van zijn arts, om toch maar naar Costa Rica te komen. Hij leed immers aan ernstige astma-aanvallen die verslechterden door het vochtige klimaat van Brussel, vooral in de winter. Jan Loots geloofde dat hij door het tropische klimaat beter zou kunnen omgaan met zijn astma. De koude en regenachtige stad San José zou echter niet het zonnige tropische paradijs worden dat hij verwachtte.
Jan Loots tekende op 10 april 1907 zijn contract met de regering van president Cleto González Víquez en hij werd op 25 mei voorgesteld aan de musici van het korps van San José. Hij moest hij zich tot een tolk wenden omdat hij nog geen Spaans sprak. Nadat hij zichzelf had voorgesteld, vroeg hij hen iets te spelen. Roberto Cantillano Vindas, een van de aanwezige muzikanten, die ook fluitist was zoals Loots, herinnert zich dat ze onder leiding van Alfredo Morales een stuk van Verdi en een militaire mars speelden. Loots luisterde aandachtig en klapte ten slotte, tot ieders verbazing, in zijn handen.
Jan Loots legde zich onmiddellijk toe op het verbeteren van de techniek van bepaalde musici die niet de kans hadden gekregen om in het buitenland te studeren. Nog vele andere taken stonden hem te wachten : het hernieuwen en repareren van de instrumenten, het in stand houden van een goed gevarieerd modern repertoire en het beroep van muzikant aantrekkelijker maken.   De meeste musici hadden een ander hoofdberoep waarvan ze konden leven en zodoende was het musiceren alleen maar een vrijetijdsbesteding voor hen. De vele repetities en optredens, bijna gratis, waren er dan ook vaak te veel aan, zodat er regelmatig afzeggingen waren, vlak voor de concerten. Om dit te vermijden vroeg Jan Loots om de salarissen te verhogen en  om pensioen voor musici in te voeren.
Een militair muziekkorps voor de ingang van het Asilo Chapuí (een psychiatrisch ziekenhuis) 1922 / Banda Militar en la entrada del Asilo Chapuí, 1922 (Foto: Manuel Gómez Miralles)

Om de opleiding van de musici te verbeteren, richtte Jan Loots in 1909 de Militaire Muziekschool op. Het doel was enerzijds om jongeren op te leiden en anderzijds om deze dan na de studie te plaatsen in de muziekkorpsen.  De school was niet echt een succes. De leerlingen moesten uit de provincies naar de hoofdstad verhuizen. Zodoende groeide het aantal leerlingen in het muziekkorps van San José maar verminderde het aantal met meer dan de helft in de andere korpsen van Cartago, Heredia, Alajuela en Liberia.  
In 1910 schreef Loots, tere ere van de nieuwe president, een mars met de titel "Viva Ricardo Jiménez", zijn enigste werk dat in Costa Rica werd geschreven.
In 1912 trouwde hij met Marie Antoinette Aumart, een Franse vrouw die in Costa Rica woonde en eigenares was van twee hotels in de hoofdstad : Hotel San José en Hotel Washington. Zo volgde Jan Loots het voorbeeld van zijn zeven jaar oudere zus Diliana Adèle Françoise die ook gehuwd was met een Fransman.
Jan Loots was ook goed bevriend met zijn landgenoot Aristides Romain. Het was hij die, als generaal van het Costa Ricaanse leger zijnde, Jan Loots voor het eerst voorstelde aan het  militaire muziekkorps. Elke zondagavond kwamen beiden met hun respectievelijke echtgenotes samen voor het diner. Generaal Romain was getrouwd met Micaela Mora Montes de Oca, een dame van hoge afkomst en de achterkleindochter van ex-president Juan Rafael Mora. In zijn ruime herenhuis serveerde de generaal Romain een diner in Franse stijl, met bestek dat in Parijs was gekocht en met alle details die men in die tijd in de beste restaurants van de Lichtstad kon vinden.
In september 1914 keerde Loots, ondanks zijn chronische astma, samen met Romain terug naar België om zijn vaderland te dienen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Loots werd ingedeeld bij een militair detachement in Antwerpen dat, na de val van deze stad, zich terugtrok aan de Belgische kust. De kilte die uit de Noordzee kwam, was zeker niet bevorderlijk voor de zwakke gezondheid van Loots. Dankzij het gezelschap van generaal Romain konden ze beiden uit de Duitse klauwen ontsnappen, zochten ze hun toevlucht in Frankrijk en slaagden ze erin om op 22 februari 1915 met het schip “Barranca” vanuit Avonmouth (Engeland) naar Puerto Limon te reizen waar ze op 11 maart aankwamen.
Door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog werd ook de Costa Ricaanse economie aangetast, en dit feit had een directe impact op de belastinginkomsten. Zodoende daalden in 1915 de salarissen van het overheidspersoneel, en dus ook van de muzikanten, met 33%. Er wordt gezegd dat Loots zelfs eigen geld leende aan een ​​aantal muzikanten om hen te ondersteunen. De crisis duurde meerdere jaren.  Ook het budget van de Militaire Muziek School werd verminderd. Zodoende keerden dezelfde problemen weer die er al waren bij zijn aankomst in 1907 : geen geld voor de aankoop van repertoires en nieuwe instrumenten, lage salarissen en daardoor ongemotiveerde muzikanten.
Wegens gezondheidsredenen legde Loots in 1920 zijn functie van directeur-generaal van muziekkorpsen neer en richtte zich op een nieuw doel : het oprichten van een symfonisch orkest. Ondanks enkele verdienstelijke pogingen zou hij daar niet in slagen. Hij bereidde daarmee wel de omgeving voor op een toekomstige oprichting van een nationaal symfonisch orkest en met dit idee werden ook veel musici gemotiveerd om te beginnen componeren.
Jan Loots overleed op 2 augustus 1929 en ligt, samen met zijn vrouw, begraven op het “Cementerio General” in San José.  Ook zijn goede vriend generaal Aristides Romain heeft daar zijn laatste rustplaats gevonden.

Het werk dat Jan Loots tijdens zijn verblijf van 22 jaar in Costa Rica verrichtte is van onschatbaar belang. Hij wist dat je alleen maar de top kan bereiken door een degelijke opleiding. Gedurende de jaren dat hij de leiding had over de militaire muziekkorpsen in Costa Rica, werden deze gereorganiseerd, geprofessionaliseerd en verhoogde het prestatieniveau. Hij breidde het repertoire uit, probeerde de financiële toestand van de muzikanten te verbeteren en richtte de eerste muziekschool van het land op. Door hem werd ook “muziek als beroep” geïntroduceerd in het land.
Jan Loots was een professional, hij kende zijn vak door en door, en leidde, onder andere, twee fluitisten op  die voor dit instrument een wezenlijke rol zouden gaan spelen in het latere Nationaal Symfonisch Orkest  : zijn beste leerling, Roberto Cantillano Vindas, aan wie Loots zijn zilveren fluit naliet en Juan de Dios Perez.   Beiden werden de leraars van vele toekomstige talenten. 

                  (Foto:Historia de la influencia extranjera en el desenvolvimiento educacional y cientifico de Costa Rica)

Bronnen/Fuentes:
Costa Rica y Bélgica, 150 años. Costa Rica en België 150 jaar, Victor Valembois
Juan Loots y la música en Costa Rica, Carlos Porras
Juan Loots y las bandas de música militar, Ludmila Svatek
De las fanfarrias a las salas de concierto. Música en Costa Rica (1840-1940), María Clara Vargas Cullell
Armonías de antaño, La Nación, Laura Quesada
Costa Rica en el siglo XX Tomo I, Eugenio  Rodríguez Vega
A brief  Overview of the Music in Costa Rica, Dr. Norman A. Gamboa
Historia de la influencia extranjera en el desenvolvimiento educacional y cientifico de Costa Rica, Luis Felipe González
Roberto Cantillano Vindas:compositor,director y flautista domingueño, La Retreta Año I, No. 3, Gabriel Goñi Dondi
Flutes, Flautists & Makers, Andrew Fairley
La Orquesta Sinfónica Nacional, Virginia Zúñiga Tristán
La figura de Juan Loots de Blaes, El Espectador No. 8, 1929, Antonio Zelaya, Lic. Jorge Calzada
Bibliotheek Koninklijk Muziek Conservatorium, Olivia Wahnon de Oliveira
Elementos de Turismo. Teoría, clasificación y actividad, Renato Quesada Castro
Café para el gusto exigente. Publicidad y consumo de café en Costa Rica 1900-1930, Patricia Vega Jiménez



jueves, 20 de agosto de 2020

El día más largo - De langste dag


Bélgica y Costa Rica durante la Segunda Guerra Mundial parte 20
Día D: el día más largo
Para repeler cualquier intento de invasión en Europa por parte de los aliados, Hitler acordó la construcción de una línea fortificada a lo largo de toda la costa occidental, llamada "Muro Atlántico". Su construcción se inició en marzo de 1942 y más tarde pasó principalmente a manos de la “Organización Todt”, la empresa contratante del Reich alemán que lleva el nombre de su fundador Fritz Todt.
Soldados, trabajadores (algunos voluntarios y otros obligados), prisioneros de guerra y judíos fueron los principales constructores del “Muro Atlántico”. Se iba a construir a lo largo de la costa de Noruega, Dinamarca, Alemania, Holanda, Bélgica, Francia hasta la frontera con España con una longitud total de más de 5000 kilómetros. No era una muralla continua (como la Gran Muralla China) sino que las defensas estaban concentradas en puntos estratégicos con una serie de cañones antiaéreos, antitanques, búnkeres, barreras, obstáculos y campos de minas.

El Muro Atlántico en Raversijde, Ostende, Bélgica / De Atlantikwall in Raversijde, Oostende

El alto mando alemán esperaba los desembarcos aliados donde el canal fuera más estrecho. Como resultado, la defensa de la parte costera Normandía fue menos fuerte que en el norte. El 6 de junio de 1944, se necesitaba una flota de más de 6,900 barcos para desplegar las tropas de asalto de más de 156,000 hombres en cinco playas de Normandía.
Las playas del desembarco fueron denominadas con el código Utah y Omaha (Estados Unidos), Gold (Gran Bretaña), Juno (Canadá) y Sword (Gran Bretaña) de oeste a este. Se desplegaron unas 24.000 tropas aerotransportadas para capturar puntos estratégicos. A pesar del mal tiempo y de la feroz resistencia alemana, los aliados tenían un punto de apoyo firme en las cinco playas esa misma noche.
Los desembarcos del 6 de junio de 1944 hicieron historia bajo el legendario nombre de Día D (Día de la Decisión). En la "Operación Overlord" (el nombre oficial de esta operación) participaron principalmente tropas británicas, estadounidenses y canadienses, pero un total de 17 países aliados participaron por aire, mar y tierra. 
"Into the jaws of Death" de Robert F. Sargent, una de las fotos más famosas del desembarco en Omaha Beach "Into the jaws of Death" van Robert F. Sargent, een van de bekendste foto's van de landing op Omaha Beach (fuente/bron: NARA). 

Tropas británicas aterrizan en Sword Beach / Britse troepen gaan aan land op Sword-beach © IWM (B 5071)

De Costa Rica, participaron las siguientes personas:
José Watson Daly, nacido en San José, tomó parte en la invasión de Normandía y en la invasión del Japón en el ejército de los Estados Unidos.
Jorge Fernández García, hijo de don Herminio Fernández Flores y de doña Otilia García Cartín, ingresó al Ejército de los Estados Unidos en 1944 participando activamente en tres campañas: la de Italia, la invasión de Normandía y la toma de Berlín. Siendo este último hecho, el que puso fin en Europa al nazi-fascismo, la familia Fernández conserva como trofeo, una pieza del escritorio de Hitler.
José A. Zuñiga nació en Escazú, hijo de don Benjamín Zúñiga y doña Gregoria de Zúñiga participó en la invasión de Normandía en el ejército de Estados Unidos.
José A. Zuñiga

Sargento Primero Laurence A. Clunie, hijo del señor Bryan y la señora Laurel Clunie, ambos de Limón y radicados en Cartago, participó en la invasión de Normandía.
Rafael Calderón Céspedes, hijo de don Francisco Calderón y doña Josefa Céspedes; nacido en San José, fue enviado a Europa a participar en la invasión de Normandía en el ejército estadounidense. Avanzó a través de Francia, Bélgica y Luxemburgo, hasta Alemania. Herido en una pierna, fue transferido al Quartermaster Corps, que hacia el traslado de municiones al frente; hasta el final de la guerra.
Rafael Calderón Céspedes

Teniente Vernor Lynn Yglesias fue jefe de 37 barcazas en la invasión de Normandía y mereció varias condecoraciones.
Teniente Primero Jorge Lyon Chavarría, nacido en San José e hijo de padre inglés y madre costarricense, fue de los primeros voluntarios que salieron de Costa Rica. Fue asignado al “King’s Royal Rifle Corps”,  Infantería, 2nd Batañón del Ejército Inglés. Estuvo en África y en Alamein, sufrió heridas en la cara mientras comandaba una batería de camiones anti-tanques. También participó en las invasiones de Italia y de Normandía y luchó igualmente en el frente alemán.
Jorge Lyon Chavarría

Gastón Arango Bolandi, voló el día de la invasión a Normandía. Sus blancos durante la guerra fueron Alemania, Francia ocupada y Bélgica.
No había belgas entre las tropas aliadas que desembarcaron el día D. Los pilotos de la sección belga de la RAF (Royal Air Force) estaban allí. Por ejemplo, los escuadrones 349, 350 y 609 volaron misiones en apoyo de las tropas invasoras. En las semanas anteriores, también habían contribuido y apuntado a objetivos en el norte de Francia.
Un piloto belga, François Venesoen, perdió la vida en la madrugada del 6 de junio cuando tuvo problemas con el motor durante un vuelo de patrulla sobre la zona de desembarco. A pesar de la trágica pérdida de uno de sus mejores pilotos, el escuadrón 350 completó con éxito 25 misiones de combate ese día.
Aparte de los pilotos de los "escuadrones belgas", estaban los belgas que sirvieron en un escuadrón británico el día D, incluido Charles Demoulin.
Las corbetas belgas “Godetia” y “Buttercup” también estuvieron presentes el 6 de junio de 1944. Junto con otras corbetas y destructores se utilizaron para proteger los barcos de transporte y acorazados. El Buttercup llevó a cabo patrullas en el Canal hasta el 1 de agosto y llevó a cabo misiones de vigilancia en el área de Quistreham en Francia y fue puesto a prueba por la Luftwaffe alemana el 14 de junio.
El Teniente Comandante Georges Timmermans recibió el mando de la (202) ducentésimo segundo Flotilla británica y sus barcos, que sufrieron un intenso fuego, llevaron al (48)
cuadragésimo octavo
Regimiento “Royal Marines” a Juno Beach. Los traslados de ida y vuelta entre los grandes barcos de transporte y la playa duraron horas antes de que todas las tropas estuvieran en tierra. El propio barco de Timmermans (LCI 525) hizo cinco viajes de ida y vuelta. El día después del aterrizaje, Timmermans aterrizó en Courseulles, lo que lo convirtió quizás en el primer belga en ingresar a la Francia liberada.
Además de Timmermans, algunos otros belgas presenciaron la invasión a bordo de un barco aliado.
El Día D fue seguido por la Batalla de Normandía, que se libró entre los desembarcos el 6 de junio de 1944 y la liberación de París el 25 de agosto. El 10 de junio, el piloto belga Robert Alexandre murió después de que su avión se incendiara por un motivo desconocido. Y el 14 de junio, otro piloto belga (Henri Gonay) murió cuando su avión fue derribado por aviones antiaéreos. Más de 100.000 personas murieron en 80 días, 20.000 de ellas civiles.

El cementerio de Colleville-sur-Mer (Francia) donde diez mil soldados estadounidenses encontraron su lugar de descanso final / De begraafplaats van Colleville-sur-Mer (Frankrijk) waar tienduizend Amerikaanse soldaten hun laatste rustplaats gevonden hebben.

België en Costa Rica tijdens Wereldoorlog 2 deel 20
D-Day  - De langste dag
Om elke poging tot invasie van Europa door de geallieerden af te slaan, stemde Hitler in met de constructie van een versterkte linie langs de gehele westelijke kust, de zogenaamde “Atlantikwall”. De bouw ervan begon in maart 1942 en kwam  later voornamelijk in handen van de “Organisation Todt”, het aannemersbedrijf van het Duitse Rijk genoemd naar de oprichter Fritz Todt.
Soldaten, arbeiders (vrijwillig of verplicht), krijgsgevangenen en Joden waren de voornaamste bouwers van de “Atlantikwall”.  Deze zou langs de kust van Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland, België, Frankrijk tot aan de grens met Spanje worden gebouwd met een totale lengte van meer dan 5000 kilometer.  Het was geen aaneengesloten muur (zoals de Chinese muur) maar de verdedigingswerken waren geconcentreerd op strategische punten met een aaneenschakeling van kanonnen,  luchtafweer, antitankgeschut, bunkers, versperringen, obstakels en mijnenvelden.

El Muro Atlántico en Raversijde, Ostende, Bélgica / De Atlantikwall in Raversijde, Oostende

Het Duitse opperbevel verwachtte de geallieerde landingen daar waar het Kanaal het nauwst was. Daardoor was de verdediging van het deel van de Normandische kust minder sterk dan verderop in het noorden. Op 6 juni 1944 was een vloot van meer dan 6.900 schepen nodig om de aanvalstroepen van meer dan 156.000 man op vijf stranden van Normandië te zetten.
De landingsstranden kregen van west naar oost de codenamen Utah en Omaha (Verenigde Staten), Gold (Groot-Brittannië), Juno (Canada) en Sword (Groot-Brittannië). Ongeveer 24.000 man luchtlandingstroepen werden ingezet om strategische punten in te nemen.  Ondanks het slechte weer en de felle Duitse tegenstand hadden de geallieerden diezelfde avond op alle vijf de stranden vaste voet aan de grond.
Bij Utah worden lichte vrachtwagens vanop een ponton aan land gebracht  / En Utah, los camiones ligeros se llevan a tierra desde un pontón (bron/fuente: NARA).

Geallieerden op Omaha Beach/Aliados en Omaha Beach (Foto: United States Coast Guard) 


De landingen van 6 juni 1944 maakten geschiedenis onder de legendarische naam D-Day (Decision Day). Aan “Operatie Overlord” (de officiële naam van deze operatie) namen voornamelijk Britse, Amerikaanse en Canadese troepen deel, maar in totaal deden er zowel in de lucht, op zee als op land 17 geallieerde landen mee. Van Costa Rica waren dat onder andere de volgende personen :
De in San José geboren Jose Watson Daly deel aan de invasie van Normandië en aan de invasie van Japan in het Amerikaanse leger.
Jorge Fernández Garcia, zoon van Herminio Fernández Flores en Otilia García Cartín, trad in 1944 toe tot het Amerikaanse leger en nam actief deel aan drie campagnes: die van Italië, de invasie van Normandië en de inname van Berlijn. Van deze laatste gebeurtenis, die een einde maakte aan het nazi-fascisme in Europa, heeft de familie Fernández een stuk van Hitler's bureau, als trofee bewaard.
José A. Zuñiga werd geboren in Escazú, zoon van Benjamin Zúñiga en Gregoria de Zúñiga nam deel aan de invasie van Normandië in het Amerikaanse leger.
Eerste sergeant Laurence A. Clunie, zoon van Bryan en Laurel Clunie, beiden uit Limón en gevestigd in Carthago, nam deel aan de invasie van Normandië.
Rafael Calderón Céspedes, zoon van Don Francisco Calderón en Josefa Céspedes en geboren in San José, werd naar Europa gestuurd om deel te nemen aan de invasie van Normandië in het Amerikaanse leger. Hij trok via Frankrijk, België en Luxemburg naar Duitsland. Gewond aan zijn been, werd hij overgeplaatst naar het “Quartermaster Corps” dat de overbrenging van munitie naar het front uitvoerde, tot aan het einde van de oorlog.
Luitenant Vernor Lynn Yglesias stond aan het hoofd van 37 binnenschepen bij de invasie in Normandië en kreeg verschillende onderscheidingen.
Eerste luitenant Jorge Lyon Chavarria, geboren in San José en zoon van een Engelse vader en Costa Ricaanse moeder was één van de eerste vrijwilligers uit Costa Rica. Hij werd toegewezen aan het "King's Royal Rifle Corps", Infanterie, 2de Bataljon van het Engelse leger. Hij was in Afrika en in Alamein liep hij verwondingen op aan het gezicht, terwijl hij het bevel voerde over een batterij antitankwagens. Hij nam ook deel aan de invasies van Italië en Normandië en vocht ook aan het Duitse front.
Gaston Arango Bolandi vloog op de dag van de invasie in Normandië. Hun doelen tijdens de oorlog waren Duitsland, bezet Frankrijk en België.
Zicht van Pointe du Hoc op Omaha Beach / Vista de Pointe du Hoc en Omaha Beach

Bij de geallieerde troepen die op D-day aan land gingen, waren er geen Belgen. De piloten van de Belgische Sectie bij de RAF (Royal Air Force) waren er wel bij. Zo vlogen de squadrons 349, 350 en 609 missies  ter ondersteuning van de invasietroepen. In de weken vooraf hadden ze trouwens ook al hun bijdrage geleverd en doelen in Noord-Frankrijk bestookt.
Eén Belgische piloot, François Venesoen, verloor in de vroege ochtend van 6 juni het leven toen hij tijdens een patrouillevlucht boven de ontschepingszone motorpech kreeg. Ondanks het tragische verlies van één van zijn beste piloten voerde het 350ste squadron die dag met succes 25 gevechtsopdrachten uit. 
François Venesoen © Shannon Blosser-Salisbury from the Pamela Webb Venesoen Collection 

Behalve de piloten van de ‘Belgische squadrons’ waren er de Belgen die op D-day in een Brits  squadron dienden, waaronder Charles Demoulin.
Ook de Belgische korvetten “Godetia” en “Buttercup” waren op 6 juni 1944 van de partij. Samen met andere korvetten en “destroyers” werden ze ingezet  voor de bescherming van de transportschepen en de slagschepen. De ”Buttercup” deed nog tot 1 augustus patrouilles op het Kanaal en voerde er bewakingsopdrachten uit in de zone voor het Franse Quistreham en werd op 14 juni zwaar op de proef gesteld door de Duitse “Luftwaffe”.
Luitenant-commandant Georges Timmermans kreeg het commando over het Britse 202de Flottielje en zijn vaartuigen, die zwaar onder vuur werden genomen, brachten het 48ste Regiment “Royal Marines” naar Juno Beach. Urenlang werd er heen en weer gependeld tussen de grote transportschepen en het strand, voor alle troepen aan land waren. Het eigen vaartuig van Timmermans (LCI 525) deed vijfmaal de heen en terug tocht. De dag na de landing ging Timmermans in Courseulles aan land en daarmee was hij wellicht de eerste Belg die bevrijd Frankrijk betrad.
Behalve Timmermans maakten nog enkele andere Belgen de invasie mee aan boord van een geallieerd schip.
Na D-day volgde de slag om Normandië, die werd uitgevochten tussen de landingen op 6 juni 1944 en de bevrijding van Parijs op 25 augustus. Op 10 juni kwam de Belgische piloot Robert Alexandre om het leven nadat zijn toestel om een onduidelijke reden vuur had gevat. En op 14 juni kwam een andere Belgische piloot (Henri Gonay) om het leven toen zijn vliegtuig werd neergehaald door luchtafweer.  In 80 dagen werden meer dan 100.000 mensen gedood, waarvan 20.000 burgers.
Robert Alexandre (André Bar Collection)
Henri Gonay (Courtesy Johny Recour)

Bronnen/Fuentes:
Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial  
De Belgen in Engeland 40/45 : de Belgische strijdkrachten in Groot-Brittannië tijdens WOII, Frank Decat
DE ATLANTIKWALL,  Een korte inleiding, Mathieu de Meyer

Foto’s van de Costa Ricaanse soldaten komen uit/Fotos de los soldados costarricenses tomado del libro : Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial.