miércoles, 21 de octubre de 2020

Het einde van de Tweede Wereldoorlog / El fin de la Segunda Guerra Mundial

          België en Costa Rica tijdens Wereldoorlog 2 deel 24

 De slag van Iwo Jima en de familie Macaya Lahmann

Na de capitulatie van Duitsland konden de geallieerden zich volledig concentreren op de strijd tegen Japan. In de lente van 1945 vochten Amerikaanse troepen zich steeds verder een weg richting de hoofdeilanden van Japan. De bloedige gevechten op Saipan, Iwo Jima en Okinawa brachten Japan binnen het bereik van de Amerikaanse langeafstandsbommenwerpers zoals de B-29. 


Mariniers van de 5de Divisie plaaten op 23 februari 1945 de Amerikaanse vlag op de Mount Suribachi op het Japanse eiland Iwo Jima /  Los marines de la 5ta División colocan la bandera estadounidense en el monte Suribachi en la isla japonesa de Iwo Jima el 23 de febrero de 1945 (foto:Marine Pvt. Bob Campbell. National Archives identifier:100310761)

Eén van de Costa Ricanen die deelnam aan deze acties was Roberto Macaya Lahmann. Hij werd geboren op 11 januari 1908 in San José en was één van de zes zonen van Juan Macaya Ibañez en Angela Albertina Lahmann Carazo.  De moeder van Roberto was de dochter van de Duitse diplomaat Johann Friederich Lahmann Wendt, afkomstig van Bremen. De vader van Roberto hernam, samen met zijn nonkel Miguel Macaya Artuz, in het begin van de twintigste eeuw de ijzerhandel en het grootwarenhuis Macaya. Het pand, momenteel La Casona genaamd, werd indertijd gebouwd met een staalconstructie geïmporteerd uit België.

Roberto studeerde aan de Escuela Buenaventura Corrales en het Colegio Seminario, beiden in de hoofdstad. Moeder Angela was al op jonge leeftijd weduwe geworden en trok met haar zes zonen in 1926 naar Californië in de Verenigde Staten. De oudste zoon, Román, zou later de vader van de Costa Ricaanse luchtvaart worden door zijn legendarische vlucht in 1933 van San Francisco (VS) naar La Sabana (San José, Costa Rica) met zijn vliegtuig “The Tico Spirit”.


Angela  Lahmann en haar zes zonen / Doña Angela Lahmann y sus seis hijos/ (foto uit/tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)


Roberto  Lahmann (Foto uit/tomado del libro : Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial).

Toen de oorlog uitbrak, kwam Roberto in juli 1942 bij het leger. Hij volgde zijn opleiding in het kamp Monterrey, Californië, vanwaar hij naar New Orleans werd overgebracht en naar het front trok in 1943. Hij was in Nieuw-Guinea waar hij tegen de Japanners vocht als infanterist. Hij was ook op de Filipijnse eilanden en nam in februari 1945 deel aan de invasie van Iwo Jima.

Roberto keerde pas op hoge leeftijd terug naar Costa Rica. Op de stranden van Coco kreeg hij een beroerte en stierf op 14/07/1991.

 De laatste gesneuvelde Costa Ricaan

Bernardo (Ben) R. Yglesias werd geboren op 12 maart 1919 in New Orleans, Louisiana (Verenigde Staten). Zijn moeder was de Amerikaanse Clara Isabel Booker en zijn vader de Costa Ricaanse landbouwingenieur Bernardo Yglesias Rodríguez die in 1926 in San Pedro Montes de Oca de Nationale Landbouwschool  oprichtte waarvan hij tevens de eerste directeur was. Zowel Rafael Yglesias Castro, de grootvader van Bernardo, als José Joaquíin Rodríguez Zeledón, de overgrootvader van Roberto waren ex-presidenten van Costa Rica.

Bernardo werd samen met zijn broer José Joaquin naar Costa Rica gebracht waar hun broer Lewis en zusters Clara en Amalia werden geboren.  Bernardo ging  naar de middelbare school in het lyceum van Costa Rica.  In 1936 vertrok het gezin opnieuw naar de Verenigde Staten waar ze zich gingen vestigen in Baton Rouge, Police Jury Ward 1, East Baton Rouge, Louisiana. Bernardo ging studeren in de universiteit van Louisiana. 

Bernardo R. Yglesias (tekening/dibujo:Michael G. Reagan)

In 1944 ging Bernardo bij de US Air Force en na een korte training werd hij gestationeerd op de Marianen en begon hij als schutter op een B-29 vliegtuig bij de 20th Air Force,  314th Bomb Wing, 19th Bombardment Group, 28th Bombardment Squadron, bijgenaamd “City of Atlanta”.  Zijn 12de missie op 29 april 1945 zou zijn laatste worden. Daags voordien was hij nog benoemd tot commandant. Op de fatale dag steeg hij op met 12 metgezellen en trok vanuit Guam voor een bombardeermissie op Yokohama. Zijn vliegtuig, bestuurd door kapitein Gerard J. O’Leary, werd door afweergeschut neergehaald en stortte neer in zee. De juiste plaats van de crash werd nooit gevonden en zodoende werd de volledige bemanning op gelijst als MIA (missing in action).  Allen worden herdacht op het National Memorial Cemetery of the Pacific (Punchbowl) op Honolulu, Hawaii.

Bernardo, die in 1939 in Baton Rouge getrouwd was met Doris Marie Keen,  liet haar en vier kleine kinderen achter.

Atoombommen met uranium van Belgisch-Kongo

Nadat een aantal natuurkundigen, onder wie Albert Einstein, de aandacht van president Roosevelt op de mogelijkheid van een nucleair wapen hadden gevestigd, werd onder leiding van generaal Leslie Groves het Manhattanproject opgestart, de geheime operatie waarmee de Verenigde Staten een atoombom ontwikkelden. Hiervoor was uranium nodig en de grootste voorraad bevond zich in Belgisch-Congo. Daarom werd contact opgenomen met de Belg Edouard Bernard Sengier, directeur van het mijnbouwbedrijf Union Minière, het huidige Umicore, die de mijn in Shinkolobwe (provincie Katanga, Belgisch-Congo) al in 1937 had gesloten omdat ze verlieslatend was. 

De mijn van Shinkolobwe leverde in de jaren 1920 zowat 80 % van alle radium in de wereld / La mina en Shinkolobwe proporcionó aproximadamente el 80% del radio del mundo en la década de 1920.

Nu de Amerikanen geïnteresseerd waren,  werd de mijn heropend en begonnen de onderhandelingen voor leveringen van uranium aan de Verenigde Staten, eerst zonder medeweten van de Belgische regering in Londen.  Pas toen de Amerikanen hun bestellingen fors opdreven en voorrangsrecht en de volledige controle over de uraniummarkt eisten, en Sengier dit weigerde, werd de Belgische regering gecontacteerd die na lange onderhandelingen in september 1944 een contract ondertekende met de Amerikanen en de Britten.  


De mijn van Shinkolobwe / La mina en Shinkolobwe (foto: VRT News)

Edgar Sengier (rechts) toe hij na de oorlog een decoratie ontving van generaal Groves / Edgar Sengier (a la derecha) cuando recibió una condecoración del general Groves después de la guerra. (foto: VRT News)

Op 6 augustus 1945 vertrok de “Enola Gay”, het B-29 vliegtuig genoemd naar de moeder van piloot  Paul W. Tibbets, met aan boord atoombom “Little Boy”, een lading van 65 kilogram verrijkt uranium, een kracht overeenkomend met die van 12.500 ton TNT. Boven Hiroshima ontplofte de bom,  43 seconden na de dropping, op een hoogte van ongeveer 550 meter en maakte in een fractie van een seconde 78.000 slachtoffers. Drie dagen later volgde de tweede nucleaire bom, gedropt door de “Bockscar”, boven Nagasaki, met 39.000 slachtoffers.  Nog minstens een veelvoud aan personen zouden in de volgende jaren overlijden aan de gevolgen van kanker en leukemie, opgelopen door de straling.


Paddenstoelwolk boven Hiroshima / Nube en forma de hongo sobre Hiroshima (Foto:Publiek domein/Dominio publico)

Zouden er minder slachtoffers gevallen zijn indien men geen gebruik had gemaakt van atoombommen en de oorspronkelijke plannen had gevolgd, namelijk een invasie van het zuidelijke eiland Kyushu in november 1945 ? Met Japanse soldaten die eerder voor de dood dan voor een overgave kozen ? Met een mogelijke guerrilla van gewapende Japanse burgers in het bergachtige binnenland van de Japanse hoofdeilanden ? Deze vraag zal eeuwig voor discussies vatbaar blijven.

De Japanse capitulatie

De Amerikaanse atoombommen veroorzaakten een grote schok in Japan. Tegelijk viel de Sovjet-Unie plots Japan aan in Noord-China en in de Koerileneilanden en dreigde een Russische invasie op het noordelijke hoofdeiland Hokkaido. Zodoende kon Japan niets anders dan capituleren, wat ook gebeurde op 14 augustus 1945. 


“V-J day in Times Square”, een foto van een kussende matroos en verpleegster op 14/08/1945, de dag van de Japanse capitulatie, op Times Square in New York  stond symbool voor het einde van de oorlog / una foto de un marinero y una enfermera besándose el 14/08/1945, el día de la capitulación japonesa, en Times Square en Nueva York simboliza el final de la guerra (foto: Alfred Eisenstadt)

“Kissing the War goodbye”, een foto genomen op dezelfde dag en plaats maar vanuit een ander standpunt / una foto tomada el mismo día y lugar desde un punto de vista diferente (foto:Victor Jorgensen)

 “The Kiss, Unconditional Surrender”, het bronzen standbeeld van Seward Johnson in Bastogne, gebaseerd op één van beide voorgaande foto’s / la estatua de bronce de Seward Johnson en Bastogne, Bélgica, basada en una de las dos fotos anteriores.

Bélgica y Costa Rica durante la Segunda Guerra Mundial 24 parte

 La batalla de Iwo Jima y la familia Macaya Lahmann

Después de la capitulación de Alemania, los aliados pudieron concentrarse completamente en luchar contra Japón. En la primavera de 1945, las tropas estadounidenses se abrieron camino hacia las islas principales de Japón. La sangrienta lucha por Saipan, Iwo Jima y Okinawa puso a Japón al alcance de los bombarderos estadounidenses como el B-29.

Iwo Jima (foto:US Navy)

Uno de los costarricenses que participó en estas acciones fue Roberto Macaya Lahmann. Nacido el 11 de enero de 1908 en San José y fue uno de los seis hijos de Juan Macaya Ibáñez y Ángela Albertina Lahmann Carazo. La madre de Roberto era hija del diplomático alemán Johann Friederich Lahmann Wendt, de Bremen. El padre de Roberto, junto con su tío Miguel Macaya Artuz, se hicieron cargo de la ferretería y los grandes almacenes Macaya a principios del siglo XX. La propiedad, actualmente llamada La Casona, fue construida en ese momento con una estructura de acero importada de Bélgica.


La Ferretería Macaya, en la calle Central, entre las avenidas Central y 1, aproximadamente en 1920 / De ijzerhandel Macaya in de “calle Central” tussen lanen “Central” en 1 rond 1920 (foto:Manuel Gómez Miralles)

Roberto estudió en la Escuela Buenaventura Corrales y en el Colegio Seminario, ambos en la capital. Su madre Ángela se había quedado viuda a una temprana edad y se mudó a California, Estados Unidos, en 1926 con sus seis hijos. El hijo mayor, Román, se convertiría posteriormente en el padre de la aviación costarricense a través de su legendario vuelo de 1933 desde San Francisco (Estados Unidos) a La Sabana (San José, Costa Rica) en su avión “The Tico Spirit”.


Doña Angela  Lahmann (foto tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)

Roberto  Lahmann a la izquierda/links (foto tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)



Roberto  Lahmann abajo a la derecha / onderaan rechts (foto tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)


Roberto  Lahmann (foto tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)

Roberto  Lahmann a la izquierda/links (foto tomada del documental Héroes por la Libertad, Teletica)

Cuando estalló la guerra, Roberto ingresó al ejército en julio de 1942. Hizo su entrenamiento en el campamento de Monterrey, California, donde fue trasladado a Nueva Orleans y salió al frente en julio de 1943. Estuvo en Nueva Guinea donde peleó contra los japones como soldado de infantería. También estuvo en las Islas Filipinas y participó en la invasión de Iwo Jima en febrero de 1945.

Roberto regresó a Costa Rica ya en edad avanzada. En las playas del Coco sufrió un derrame cerebral y falleció el 14/07/1991.

             El último costarricense perecido

Bernardo (Ben) R. Yglesias nació el 12 de marzo de 1919 en Nueva Orleans, Luisiana (Estados Unidos). Su madre fue la estadounidense Clara Isabel Booker y su padre fue el ingeniero agrónomo costarricense Bernardo Yglesias Rodríguez, quien fundó la Escuela Nacional Agrícola en San Pedro Montes de Oca en 1926 de la cual también fue el primer director. Rafael Yglesias Castro, abuelo de Bernardo, y José Joaquín Rodríguez Zeledón, bisabuelo de Roberto, fueron ex presidentes de Costa Rica.

Bernardo fue traído a Costa Rica con su hermano José Joaquín, donde nacieron su hermano Lewis y sus hermanas Clara y Amalia. Bernardo asistió a la escuela secundaria en el Liceo de Costa Rica. En 1936, la familia se fue de nuevo a los Estados Unidos, donde se establecieron en Baton Rouge, Police Jury Ward 1, East Baton Rouge, Louisiana. Bernardo fue a estudiar a la Universidad de Louisiana.


Bernardo R. Yglesias con su hermano menor José Joaquín / Bernardo R. Yglesias met zijn jongere broer José Joaquín (Foto tomado del libro : Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial).

En 1944, Bernardo se unió a la Fuerza Aérea de los EE. UU. Y, después de un breve entrenamiento, fue destinado a las Islas Marianas y comenzó como artillero de fortaleza en un avión B-29 con la 20 ° Fuerza Aérea, 314 ° Ala de Bombardeo, 19 ° Grupo de Bombardeo, 28 ° Escuadrón de Bombardeo, apodado Ciudad de Atlanta. Su duodécima misión el 29 de abril de 1945 sería la última. El día anterior había sido nombrado comandante. Ese día fatal, despegó con 12 compañeros y partió de Guam para una misión de bombardeo a Yokohama. Su avión, pilotado por el capitán Gerard J. O'Leary, fue derribado por cañones antiaéreos y se estrelló en el mar. Nunca se encontró la ubicación correcta del accidente y, por lo tanto, toda la tripulación figuraba como MIA (desaparecida en acción). Todos fueron conmemorados en el Cementerio Conmemorativo Nacional del Pacífico (Punchbowl) en Honolulu, Hawaii.

Bernardo, quien estaba casado con Doris Marie Keen en Baton Rouge en 1939, dejó a su mujer con cuatro hijos pequeños.

Bombas atómicas con uranio del Congo Belga

Después de que varios físicos, incluido Albert Einstein, llamaran la atención del presidente Roosevelt sobre la posibilidad de un arma nuclear, el general Leslie Groves lanzó el Proyecto Manhattan, la operación encubierta mediante la cual Estados Unidos desarrolló una bomba atómica. Para ello se necesitaba uranio y la mayor cantida se encontraba en el Congo Belga. Por eso se contactó con el belga Edouard Bernard Sengier, director de la empresa minera Union Minière, ahora Umicore, que ya había cerrado la mina en Shinkolobwe (provincia de Katanga, Congo Belga) en 1937 por ser deficiente. 

Con los estadounidenses interesados, se reabrió la mina y comenzaron las negociaciones para el suministro de uranio a los Estados Unidos, primero sin el conocimiento del gobierno belga en Londres. Fue solo hasta cuando los estadounidenses aumentaron significativamente sus pedidos y exigieron el derecho de prioridad y el control total sobre el mercado de uranio, y Sengier se negó; los Estados Unidos se contactó con el gobierno belga y, después de largas negociaciones, se firmó un contrato con los estadounidenses y los británicos en setiembre en 1944. 

El 6 de agosto de 1945, el “Enola Gay”, el avión B-29 que lleva el nombre de la madre del piloto Paul W. Tibbets, despegó con la bomba atómica “Little Boy”, una carga útil de 65 kilogramos de uranio enriquecido, una fuerza equivalente a la del 12.500 toneladas de TNT. La bomba explotó sobre Hiroshima 43 segundos después de la caída a una altitud de unos 550 metros, matando a 78.000 personas en una fracción de segundo. Tres días después, la segunda bomba nuclear, lanzada por el “Bockscar”, sobre Nagasaki, siguió con 39.000 víctimas. Al menos varias personas morirían en los años siguientes a causa de los efectos del cáncer y la leucemia provocados por la radiación.


Nube en forma de hongo sobre Nagasaki / Paddenstoelwolk boven Nagasaki (Foto:Dominio publico/Publiek domein) 

Nagasaki (foto:Naval History and Heritage Command)

¿Habrían habido menos víctimas si no se hubieran utilizado las bombas nucleares y se hubieran seguido los planes originales de una invasión de la isla sureña de Kyushu en noviembre de 1945? Con soldados japoneses que eligieran la muerte antes que la rendición? ¿Con una posible guerrilla de civiles japoneses armados en el interior montañoso de las principales islas japonesas? Esta cuestión será debatida para siempre.

 La capitulación japonesa

Las bombas atómicas estadounidenses causaron un gran impacto en Japón. Al mismo tiempo, la Unión Soviética atacó repentinamente a Japón en el norte de China y las islas Kuriles y amenazó con una invasión rusa en la isla principal del norte de Hokkaido. Así, Japón no pudo hacer más que capitular, lo que también sucedió el 14 de agosto de 1945.



 El 2 de setiembre de 1945, el comandante en jefe general Douglas MacArthur firmó oficialmente la capitulación japonesa en el barco USS Missouri en el puerto de Tokio / Op 2 september 1945 werd de Japanse capitulatie officieel ondertekend door opperbevehebber Generaal Douglas MacArthur op het schip USS Missouri in de haven van Tokio (Foto:Courtesy of Michal W. Pocock)

 El general japonés Yoshijiro Umezu firma el acuerdo en nombre de las fuerzas armadas japonesas / De Japanse generaal Yoshijiro Umezu ondertekent de overeenkomst namens de Japanse strijdkrachten. (Foto:Courtesy of Michal W. Pocock)

Bronnen/Fuentes:

Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial

Un fundador del ICE trabajó con la resistencia clandestina contra Hitler, Manuel Delgado, Teletica

Caminatas históricas por San José - www.visitcostarica.com

De un alfiler a un ancla, La Nación, 19/08/2012

Pasado construido, Crónicas sobre arquitectura histórica josefina, Andrés Fernández

Nuevo Impulso al desarrollo agrícola de Costa Rica, DIA (Departamento de Información Agricola)

Niet enkel  atoombommen dwongen Japan tot overgave, Jos De Greef,  VRT News

Van Shinkolobwe tot Hiroshima : de weg van het Congolese uranium, Bert Govaerts/Tim Trachet, VRT News

https://www.fallenheroesproject.org

https://pacificwrecks.com

www.kosb.co.uk

https://www.archives.com

http://www.agro.ucr.ac.cr

jueves, 15 de octubre de 2020

Breve historia del banano en Costa Rica / Korte geschiedenis van de banaan in Costa Rica

La producción comercial del banano comenzó en Costa Rica alrededor de 1871.

La historia del banano en Costa Rica comienza a finales del siglo XIX. En 1871, Henry Meiggs, un estadounidense de origen inglés, firmó un contrato con el gobierno del entonces presidente de Costa Rica, Tomás Guardia Gutiérrez, para la construcción de un ferrocarril de San José a Puerto Limón. Henry Meiggs ya había ganado mucha experiencia en los años anteriores en Chile y Perú. Su sobrino Minor Cooper Keith estuvo involucrado en este proyecto desde el principio y asumió el cargo tras la muerte de su tío en 1877.

Minor Cooper Keith a la edad de 68 años / Minor Cooper Keith op de leeftijd van 68 / (Photograph Courtesy :Aurelio Castro Carazo)

Para generar ingresos para la empresa ferroviaria, Keith comenzó a experimentar con la siembra del banano. Esto también proporcionó una fuente de alimento barata para los trabajadores que venían en gran parte de Jamaica, porque eran los únicos que podían sobrevivir en la selva tropical y también soportar el calor. Además era mano de obra barata. Desde 1872 en adelante, los jamaiquinos llegaron a Costa Rica para talar bosques y proporcionar suficiente espacio para construir vías de tren. Una segunda ola de migración seguiría a principios del siglo XX para trabajar en las plantaciones de banano. Los jamaiquinos y sus descendientes se convirtieron en los principales habitantes de la provincia de Limón y establecieron allí su propia cultura, única en todo Costa Rica.

Foto:Tipsyfish History

Cuando el gobierno costarricense no cumplió con sus pagos en 1882, Keith tuvo que pedir prestado una gran cantidad de dinero a los bancos británicos e inversionistas privados para continuar con el proyecto. Una renegociación con el gobierno del presidente Próspero Fernández Oreamuno acordó entregar a Keith 3.200 km2 de terreno libre de impuestos a lo largo de la vía férrea más un contrato de arrendamiento por 99 años para la operación de la ruta del tren.

Foto:Tipsyfish History

El ferrocarril se completó en 1890, pero el número de pasajeros era insuficiente para financiar las deudas de Keith. Sin embargo, la venta de bananos que se cultivaban en su propiedad y que partían hacia Estados Unidos vía Puerto Limón fue un éxito. Se involucró más en esto y pronto dominó el comercio del banano en Centroamérica y a lo largo de la costa caribeña de Colombia.

Bananos en la plataforma, a la espera del receptor / Bananen op het platform, wachtend op de ontvanger.

Cuando uno de los patrocinadores de Keith quebró en 1899, este último se vió obligado a fusionarse con su rival, la Boston Fruit Company de Lorenzo Baker y Andrew Preston. Con el nuevo nombre de "United Fruit Company" se convertiría en una historia de éxito. Para 1930 ya tendría una flota de 95 barcos (la llamada “Gran Flota Blanca”) que originalmente solo transportaba fruta pero luego también pasajeros. Así, cada barco transportó un promedio de 35.000 racimos de bananos y de 50 a 100 pasajeros.

T.E.S. Veragua uno de los seis barcos gemelos de la “Great White Fleet”. Los barcos fruteros siempre tuvieron un color blanco porque este color refleja el sol y no absorbe el calor tan rápido / T.E.S. Veragua één van de zes zusterschepen van de “Great White Fleet”. De fruitschepen hadden steeds een witte kleur omdat deze kleur de zon weerkaatst en de warmte niet zo snel opneemt  (postkaart in/postal en el Thomas Crane Public Library) 

Los belgas también participaron en la construcción de ferrocarriles, incluido Lionel Hagenaers, quien supuestamente organizó un comercio de banano en Nueva York desde Puerto Limón. Más tarde, junto con Minor C. Keith, habría sido uno de los fundadores de la United Fruit Company y después de 1904 uno de los socios y financistas del “Ferrocarril al Norte”.

Después de una fusión en 1970, el nombre de United Fruit Company se cambió a United Brands Company y en 1984 finalmente se convirtió en "Chiquita Brands International". Sus competidores en los Estados Unidos son Dole Food Company (antes Standard Fruit Company) y Fresh Del Monte Produce Inc. quienes también tienen plantaciones de banano en Costa Rica, entre otros.

Bananos de Costa Rica en Bélgica

Después de Estados Unidos, Bélgica es el mayor importador y exportador de banano del mundo. Más de 40 empresas belgas están involucradas en el comercio del banano, éste crea miles de puestos de trabajo. Cada año llegan al puerto de Amberes al menos 1,3 millones de toneladas de bananos. El 90% de esta se canaliza inmediatamente al resto de países europeos y el 10% restante acaba en una cesta de frutas belga. Costa Rica es el país de suministro más importante, junto a Colombia y Ecuador.


De toda la fruta importada en los puertos belgas, el 66 % son bananos / Van alle ingevoerde fruit in de Belgische havens is 66 % banaan / 

Los españoles y los portugueses conocieron el banano en el siglo XVI en la costa occidental de África y trasladaron el cultivo del banano a Centroamérica. El nombre "banano" se deriva de una palabra del wolof, un idioma que se habla en los países de África occidental como Senegal, Gambia y Mauritania. Sin embargo, el transporte de bananos a Europa fue un desastre total, ya que casi todos se pudrían al llegar.

Los primeros bananos llegaron a Amberes en 1912. La firma B.M. Spiers, especializada en la importación de naranjas, desde entonces se centró en la importación de banano de Centroamérica y tenía una instalación de maduración en su almacén en la calle “Lange Schipperskapelstraat”. Ellos compraron bananos refrigerados a Elders & Fyffes en Londres, que originalmente comercializaban té; pero cambiaron a bananos a partir de 1888. En la actualidad, Fyffes, con sede en Dublín (Irlanda), es la marca de banano más antigua del mundo y opera en Europa, América del Norte, Central y del Sur.

A partir de 1948, se estableció la Belgian Fruit Lines (BFL), que proporcionaba el transporte de fruta con diez barcos refrigerados. Los enormes frigoríficos a bordo hicieron que se detuviera el proceso de maduración y que los bananos permanecieran verdes.

El ‘Frubel Monica’ de la antigua naviera Belgian Fruit Lines. Todos los nombres de los barcos de esta empresa empezaron  con FRUBEL, que significa Fruta y Bélgica / De ‘Frubel Monica’ van de voormalige rederij Belgian Fruit Lines in 1949. Alle namen van de schepen van deze maatschappij begonnen met FRUBEL wat stond voor Fruit en België (Foto : https://www.portofantwerp.be)

¿Cómo funciona el transporte bananero hoy en día? Una vez cosechadas en Costa Rica después de nueve meses, los bananos aún terminan completamente verdes y cuidadosamente son empaquetadas en un contenedor refrigerado o en la bodega en un recipiente refrigerado. Durante todo el viaje de poco menos dos semanas, los bananos permanecen exactamente a 13,7 ° Celsius y, por lo tanto, todavía se ven verdes cuando se descargan en los muelles de Amberes. Luego de una inspección por parte de la Aduana y la Agencia Federal para la Seguridad de la Cadena Alimentaria (FAVV), los bananos aprobados reciben las certificaciones necesarias y luego se almacenan por unos días a 13.7 ° Celsius hasta que llegan los nuevos dueños (importadores como Greenyard) y las recogen.

Luego, los bananos se llevan a la instalación de maduración de los importadores, donde la temperatura, la humedad y la cantidad de gas etileno (que ayuda a acelerar el proceso de maduración) se ajustan con tal precisión que los bananos están en la mejor condición y son un poco más verdes que amarillos quando llegan al supermercado.


Según el Centro Flamenco de Comercialización Agrícola y Pesquera, cada belga consumió unos 43,5 kilos de fruta fresca en 2019 de los cuales el banano (7,5 kilos) está en primer lugar y la manzana (7,33 kilos) en segundo lugar / Volgens het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing at elke Belg in 2019 ongeveer 43,5 kilo vers fruit waarvan op de eerste plaats banaan (7,5 kilo) en op de tweede plaats appel (7,33 kilo)  

Los bananos rechazados por la FAVV son convertidos por empresas de procesamiento de residuos en electricidad verde. El “Group Op de Beeck” de Amberes procesa entre 200 y 300 toneladas cada semana para generar energía verde a través de la fermentación y al quemar el biogás obtenido, se produce suficiente calor y suficiente energía verde para suministrar electricidad a 15.000 familias durante un año. Lo que queda después de la fermentación se procesa en fertilizantes orgánicos y agua pura.

De commerciële bananenproductie begon rond 1871 in Costa Rica

De geschiedenis van de banaan in Costa Rica begint aan het einde van de 19de eeuw. In 1871 tekende Henry Meiggs, een Amerikaan van Engelse origine, een contract met de regering van de Costa Ricaanse president Tomás Guardia Gutiérrez voor de aanleg van een spoorweg van hoofdstad San José naar Puerto Limón.  Henry Meiggs had al heel wat ervaring opgedaan in de jaren daarvoor in Chili en Peru. Zijn neef Minor Cooper Keith was van bij het begin betrokken bij dit project en nam het ook over na de dood van zijn nonkel in 1877.

Mevrouw Cristina, weduwe van Keith, in San José / Doña Cristina, viuda de Keith, en San José (Photograph Courtesy : Aurelio Castro Carazo)

Om voor de spoorwegmaatschappij wat inkomsten te creëren, begon Keith te experimenteren met het planten van bananen. Dat vormde ook meteen een goedkope voedselbron voor de arbeiders die voor een groot deel uit Jamaica kwamen omdat zij de enigen waren die konden overleven in het regenwoud en tevens opgewassen waren tegen de hitte. Bovendien waren het ook goedkope arbeidskrachten. Vanaf 1872 kwamen de Jamaicanen naar Costa Rica om bossen te kappen en voldoende plaats te voorzien om treinsporen te kunnen aanleggen. Een tweede migratiegolf zou volgen in het begin van de twintigste eeuw om te werken op de bananenplantages. De Jamaicanen en hun nakomelingen werden de voornaamste inwoners van de provincie Limón en vestigden daar een eigen cultuur, uniek in gans Costa Rica.

Foto:Tipsyfish History

Toen de Costa Ricaanse regering in 1882 haar betalingen niet nakwam, moest Keith heel wat geld lenen bij Britse banken en particuliere investeerders om het project te kunnen voortzetten.  Er kwam een nieuwe onderhandeling met de administratie van president Próspero Fernández Oreamuno die ermee instemde aan Keith 3.200 km2 belastingvrij land langs de spoorweg te geven plus een huurovereenkomst van 99 jaar voor de operatie van de treinroute.

De spoorlijn werd in 1890 voltooid maar het aantal passagiers was ruim onvoldoende om de schulden van Keith te financieren. De verkoop van de bananen die in zijn land werden verbouwd en die via Puerto Limón vertrokken naar de Verenigde Staten was echter wel een succes. Hij ging zich daar meer op toeleggen en domineerde al snel de bananenhandel in Centraal-Amerika en langs de Caribische kust van Colombia. 

Hacienda de la U.F.Co en Guápiles / Hacienda van de U.F.Co in Guápiles

Toen in 1899 een van de geldschieters van Keith failliet ging, zag deze laatste zich genoodzaakt om een fusie aan te gaan met zijn rivaal, de Boston Fruit Company van Lorenzo Baker en Andrew Preston. Onder de  nieuwe naam “United Fruit Company” zou het een succesverhaal worden.  Tegen 1930 zou het al over een vloot beschikken van 95 schepen (de zo gehete “Great White Fleet”) die oorspronkelijk alleen fruit vervoerden maar later ook passagiers.  Elk schip vervoerde zo gemiddeld 35.000 trossen bananen en 50 tot 100 passagiers.

United Fruit beweerde dat hun schepen speciaal gebouwd waren voor luxueuze tropische reizen. De meeste cruises duurden 2 tot 4 weken en gingen van de Verenigde Staten naar de Caraiben en het Panama Kanaal, daarna naar Centraal- en Zuid-Amerika / United Fruit afirmó que sus barcos fueron construidos especialmente para viajes tropicales de lujo. La mayoría de los cruceros duraron de dos a cuatro semanas desde los Estados Unidos al Caribe y al Canal de Panamá. Luego a Centro y Sudamérica (Brochures van de collectie van Björn Larsson / Folletos de la colección Björn Larsson)  

Ook Belgen namen deel aan het bouwen van spoorwegen waaronder Lionel Hagenaers die vanuit Puerto Limón een bananenhandel op New York zou georganiseerd hebben. Hij zou ook later, samen met Minor C. Keith, één van de oprichters geweest zijn van de United Fruit Company en na 1904 één van de partners en financiers van “Ferrocarril Al Norte”. 

Puerto Limón in de jaren 1920 / Puerto Limón en la década de 1920 (foto:J. Dearden Holmes)

Na een fusie in 1970 werd de naam van de United Fruit Company veranderd in United Brands Company en in 1984 werd het uiteindelijk “Chiquita Brands International”. Concurrenten in de Verenigde Staten zijn Dole Food Company (het vroegere Standard Fruit Company) en Fresh Del Monte Produce Inc. die beiden ook over bananenplantages in onder andere Costa Rica beschikken.

 Bananen van Costa Rica naar België

 Na de Verenigde Staten is België de grootste importeur en exporteur van bananen in de wereld. Meer dan 40 Belgische bedrijven zijn betrokken bij de bananenhandel wat duizenden banen oplevert. Elk jaar opnieuw arriveert minstens 1,3 miljoen ton bananen in de haven van Antwerpen. Daarvan wordt meteen 90 % doorgesluisd naar de andere Europese landen en de resterende 10 % belandt in een Belgische fruitmand. Costa Rica is, naast Colombia en Ecuador, het belangrijkste aanvoerland.


Wereldwijde productie: 100 miljoen ton (bakbananen incluis) op 5,6 miljoen hectare grond in 150 landen / Producción mundial : 100 millones de toneladas (incluidos plátanos) en 5,6 millones de hectáreas de tierra en 150 países. 

De Spanjaarden en de Portugezen leerden de banaan in de zestiende eeuw kennen aan de westkust van Afrika en brachten de bananenteelt over naar Midden-Amerika. De naam “banaan” is trouwens afgeleid van een woord uit het Wolof, een taal die gesproken wordt in de West-Afrikaanse landen Senegal, Gambia en Mauritanië. Het bananentransport naar Europa was echter een totale ramp, vermits ze bij aankomst bijna allemaal rot geworden waren. 

De eerste bananen kwamen in Antwerpen aan in 1912. De aldaar gevestigde firma B.M. Spiers, gespecialiseerd in de import van sinaasappelen, legde zich van dan af toe op de import van bananen vanuit Centraal Amerika en beschikte daarvoor in haar opslagplaats in de Lange Schipperskapelstraat over een rijpingsinstallatie. Het kocht gekoelde bananen bij Elders & Fyffes in Londen dat oorspronkelijk thee verhandelde maar vanaf 1888 definitief overschakelde naar de banaan.  Nu is Fyffes, met hoofdhuis in Dublin (Ierland) het oudste bananenmerk in de wereld, en opereert in Europa, Noord-,  Centraal- en Zuid-Amerika.

Opslagplaats van de firma B.M. Spiers in de Lange Schipperskapelstraat / El almacén de la firma B.M. Spiers en la calle “Lange Schipperskapelstraat” (foto : Jo Braeken)

Vanaf 1948 werd de Belgian Fruit Lines (BFL) opgericht die met een tiental koelschepen het transport van fruit verzorgden. De enorme frigo’s aan boord zorgden ervoor dat het rijpingsproces stopte en dat de bananen groen bleven.

Hoe verloopt nu tegenwoordig het bananentransport ?  Zodra ze na negen maanden in Costa Rica geoogst werden, belanden de bananen nog helemaal groen en netjes in dozen verpakt in een gekoelde container of het ruim van een koelschip. Tijdens de hele tocht van net geen twee weken blijven de bananen op precies 13,7 ° Celsius en zodoende zien ze nog altijd groen als ze aan de Antwerpse kades gelost worden. Na een keuring van de douane en het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) krijgen de goedgekeurde bananen de nodige certificaten en worden dan nog enkele dagen bewaard op 13,7 ° Celsius tot de nieuwe eigenaars (importeurs zoals Greenyard) ze komt ophalen.

De bananen worden vervolgens naar de rijperij van de importeurs gebracht waar de temperatuur, de vochtigheidsgraad en de hoeveelheid ethyleengas (dat helpt het rijpingsproces te versnellen) zo nauwkeurig zijn afgesteld dat de bananen op hun lekkerst zijn en ze nog net iets meer groen dan geel richting supermarkt gaan.

Na rijst, tarwe en maïs is de banaan het belangrijkste voedingsgewas ter wereld / Después del arroz, el trigo y el maíz, el banano es el cultivo alimentario más importante del mundo.

De door het FAVV afgekeurde bananen worden door afvalverwerkingsbedrijven omgezet naar groene stroom. Het Antwerpse Group Op de Beeck verwerkt wekelijks zo’n 200 à 300 ton om er via vergisting groene energie mee op te wekken en door het verkregen biogas te verbranden krijg je voldoende warmte en voldoende groene stroom om 15.000 gezinnen een jaar lang van elektriciteit te voorzien. Wat na de vergisting overblijft, wordt nog verwerkt tot organische meststoffen en zuiver water.

Bronnen/Fuentes:

Transport van exotisch fruit is logistiek huzarenstukje, Stefan Vanderstraeten, HLN 12/09/2020

https://inventaris.onroerenderfgoed.be

https://www.fyffes.com

https://visitpuertoarmuelles.com

El Quetzal, nummers 262-276, The Society, 1990

Vlaanderen en Latijns-Amerika, Eddy Stols & Rudi Bleys

https://www.portofantwerp.be

https://qcostarica.com

https://www.chiquita.com

http://www.unitedfruit.org/manuscripts.htm

“Little Jamaica”, the real experience of Costa Rica, Simone Smith, Toronto Caribbean 11/12/2019

 


domingo, 4 de octubre de 2020

De Duitse capitulatie - La capitulación alemana

 

België en Costa Rica tijdens Wereldoorlog 2 deel 23

De Duitse capitulatie

Na de zinloze Slag om de Ardennen, waarmee Hitler al zijn reserves had opgebruikt, begonnen de geallieerden in februari 1945 met de aanval op Duitsland. Een Brits-Canadese legermacht trok via Nederland Duitsland binnen met als doel het gebied tussen de Maas en de Rijn vrij te maken van Duitsers om vervolgens de Rijn over te steken. Dit Rijnlandoffensief ging door onder de naam “Operatie Veritable”.

Tegelijkertijd trok het Amerikaanse 9e Leger zuidelijker de Maas en de Roer over zodat het Rijnland met een grote tangbeweging kon worden ingenomen (Operatie Grenade). In Oost-Europa naderde het Rode Leger de Duitse hoofdstad Berlijn. In maart 1945 werd de Siegfriedlinie (de Westwall) doorbroken, de laatste Duitse verdedigingslinie in het Westen.

In Centraal-Duitsland waren de Amerikanen en de Sovjets zo ver opgerukt dat ze elkaar op 25 april 1945 in Torgau aan de Elbe letterlijk de hand konden reiken. Vijf dagen later pleegden Hitler en Eva Braun zelfmoord in de Führerbunker in Berlijn, één dag na hun huwelijk. Op 7 mei 1945 ondertekende Alfred Jodl in Reims de Duitse capitulatie. Op verzoek van de Sovjets werd een dag later in Berlijn nogmaals de onvoorwaardelijke overgave ondertekend, deze keer door admiraal Wilhelm Keitel .

Ontmoeting van westelijke en oostelijke geallieerden op de brug over de Elbe bij Torgau / Reunión de los aliados occidental y oriental en el puente sobre el Elba en Torgau (foto:AP)

Generaal-Veldmaarschalk Wilhelm Keitel tekent voor de Duitse capitulatie / El mariscal de campo general Wilhelm Keitel firma la capitulación alemana (foto:AFP)

Bij de troepen die zich in april 1945 een weg baanden richting Berlijn bevonden zich verschillende Belgische Fuseliersbataljons. Zij streden samen met de Canadezen bij Arnhem (Nederland), trokken via de Ludendorffbrug  van Remagen de Rijn over, hielpen mee met de bevrijding van het concentratiekamp Dora-Mittelbau en verjoegen de laatste Duitsers uit de Tsjechische stad Pilsen. Een zeventigtal fuseliers verloor in deze laatste fase van de oorlog het leven.

Het SAS-regiment van majoor Blondeel trok op 23 april 1945 het Duitse Nedersaksen binnen.  Deze laatste campagne, die anderhalve week duurde, kostte het regiment  twee doden waaronder Paul Ruscart die op 4 mei om het leven kwam, drie dagen voor de wapenstilstand.

Eddy Blondeel (Foto:www.brigade-piron.be)

Paul Ruscart (Foto:Wouter van Dijken)

Ook bij de RAF (Royal Air Force) kwamen nog enkele Belgische piloten om het leven. Jacques Groensteen stortte neer boven Berlijn op 20 april. De piloot bleef 55 jaar vermist tot zijn lichaam in januari 2000 gevonden werd in het wrak van zijn Spitfire. De allerlaatste gesneuvelde Belgische piloot in RAF-dienst was Antoon Claesen die op 25 april 1945 crashte in de omgeving van Bremen.

Jacques Groensteen (Foto:Guy De Win Collection)


Antoon Claesen (Foto:www.cieldegloire.com)

Belgische commando’s werden op 24 april naar Noord-Duitsland gezonden als veiligheidstroepen en zouden daar Duitse eenheden ontwapenen die zich uit Noorwegen hadden teruggetrokken.  De Brigade Piron was op 15 mei Duitsland binnengetrokken en bezette er een sector ten noordwesten van Münster. Sinds de brigade op 7 augustus 1944 in Normandië in actie kwam, betreurde ze ongeveer 80 gesneuvelden. 

Ook enkele Costa Ricanen waren in de slag om Duitsland actief.

Miguel A. Esquivel werd op 4 november 1915 in San José geboren maar woonde al vanaf jonge leeftijd in de Verenigde Staten waar hij zich als vrijwilliger aanmeldde voor het Amerikaanse leger. Als soldaat bereikte hij in 1941 de rang van eerste luitenant, nadat hij had deelgenomen aan de campagnes in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland. Hij behoorde tot het 1e en 9e Amerikaanse Legers en behoorde tot de Divisie die de Siegfriedlinie brak.

José Filloy Alvarez, zoon van een Spaanse vader en een Costa Ricaanse moeder  bevond zich met de troepen van generaal Patton in Regensburg aan de Donau.

José A. Herrera, van een gezin gevestigd in Puerto Limón, nam deel aan de invasie van Duitsland.

Luitenant Joaquin B. Fernández, geboren in Cartago in het huis van Joaquin B. Fernández Le Capellain en Claudia Castro de Fernández was de kleinzoon van voormalig president José Maria Castro Madriz. Met het Amerikaanse 7e leger nam hij deel aan de invasie van Duitsland.

Roger J. Chacón Cantón, geboren op 7 maart 1922 in San Francisco, Californië, was de zoon van de Costa Ricaan Rogelio Chacón en de Nicaraguaanse Tule Cantón die hem naar Costa Rica brachten toen hij nog heel jong was. In 1942 meldde hij zich als vrijwilliger bij het Amerikaanse leger. Hij werd in 1944 naar Europa gestuurd en had de eer één van de eerste soldaten te zijn die als overwinnaar Berlijn binnenkwamen. 


De Ludendorff brug te Remagen, kort na de verovering op 7 maart 1945 / El puente Ludendorff en Remagen, poco después de la captura el 7 de marzo de 1945 (foto:US Army Signal Corps, National Archives)

Bélgica y Costa Rica durante la Segunda Guerra Mundial 23 parte

La capitulación alemana

Tras la insensata Batalla de las Ardenas, con la que Hitler había agotado todas sus reservas, los aliados lanzaron el ataque contra Alemania en febrero de 1945. Un ejército británico-canadiense entró en Alemania a través de los Países Bajos con el objetivo de despejar el área entre el Mosa y el Rin de los alemanes y luego cruzar el Rin. Esta ofensiva en Renania continuó bajo el nombre de "Operation Veritable".

Al mismo tiempo, el 9º ejército estadounidense cruzó el Mosa y el Rur hacia el sur para que  Renania pudiera ser tomada con un gran movimiento de pinza (Operation Grenade). En Europa del Este, el ejército rojo se acercó a la capital alemana de Berlín. En marzo de 1945 se rompió la Línea Siegfried (el Muro Oeste), la última línea de defensa alemana en Occidente.

En Alemania Central, los estadounidenses y los soviéticos habían avanzado tanto que, literalmente, pudieron comunicarse entre sí el 25 de abril de 1945 en Torgau en el Elba. Cinco días después, Hitler y Eva Braun se suicidaron en el Führerbunker de Berlín, un día después de su boda. Alfred Jodl firmó la capitulación alemana en Reims el 7 de mayo de 1945. A petición de los soviéticos, la rendición incondicional fue nuevamente firmada en Berlín un día después, esta vez por el almirante Wilhelm Keitel.

En 1945, un soldado del Ejército Rojo planta la bandera de la Unión Soviética en el techo del "Reichstag" alemán (parlamento) / Een soldaat van het Rode Leger plant in 1945 de vlag van de Sovjetunie op het dak van de Duitse “Reichstag” (parlement) (foto:ANP)

El general Alfred Jodl firma la rendición incondicional el 7 de mayo de 1945 en Reims, Francia / Generaal Alfred Jodl tekent de onvoorwaardelijke overgave op 7 mei 1945 in Reims, Frankrijk  (foto:DPA)

Varios batallones de fusileros belgas se encontraban entre las tropas que se dirigieron hacia Berlín en abril de 1945. Lucharon junto con los canadienses cerca de Arnhem (Países Bajos), cruzaron el Rin por el puente Ludendorff desde Remagen, ayudaron a liberar el campo de concentración de Dora-Mittelbau y expulsaron a los últimos alemanes de la ciudad checa de Pilsen. Cerca de 70 fusileros perdieron la vida en esta última fase de la guerra.

El regimiento SAS del Mayor Blondeel entró en Baja Sajonia en Alemania el 23 de abril de 1945, esta última campaña, que duró una semana y media, le costó al regimiento dos muertos, incluído Paul Ruscart, que falleció el 4 de mayo, tres días antes del armisticio.

Algunos pilotos belgas también fallecieron en la RAF (Royal Air Force). Jacques Groensteen se estrelló en Berlín el 20 de abril. El piloto permaneció desaparecido durante 55 años hasta que su cuerpo fue encontrado entre los restos de su Spitfire en enero de 2000. El último piloto belga que falleció en servicio de la RAF fue Antoon Claesen, que se estrelló el 25 de abril de 1945 en las cercanías de Bremen.

Los comandos belgas fueron enviados al norte de Alemania como fuerzas de seguridad el 24 de abril, donde desarmarían a las unidades alemanas que se habían retirado de Noruega. La Brigada Piron había entrado en Alemania el 15 de mayo y ocupó un sector al noroeste de Münster. Desde que la brigada entró en acción en Normandía el 7 de agosto de 1944, ha llorado alrededor de 80 muertos.

Algunos costarricenses también participaron activamente en la batalla por Alemania

Miguel A. Esquivel nació en San José el 4 de noviembre de 1915, pero vivió en los Estados Unidos desde su tierna edad, donde se presentó como voluntario en el Ejército Americano. De soldado raso en 1941 llegó a alcanzar el grado de Teniente Primero, después de haber participado en las campañas de Bélgica, Holanda, Francia y Alemania. Él perteneció a la 1º y 9º Ejércitos Americanos y se formó en la División que rompió la Línea Sigfried.

José Filloy Alvarez, hijo de padre español y madre costarricense, estaba en Regensburg, sobre el Danubio con las tropas del general Patton.

José A. Herrera, de familia radicada en Puerto Limón, participió en la invasión de Alemania.

El teniente Joaquín B. Fernández, nieto del expresidente de la República, Dr. José María Castro Madriz, nació en Cartago en el hogar de don Joaquín B. Fernández Le Capellain y doña Claudia Castro de Fernández. Participó en la invasión de Alemania en el 7mo Ejército de los Estados Unidos.

Roger J. Chacón Cantón, nació el 7 de marzo de 1922 en San Francisco, California, fue hijo del costarricense Rogelio Chacón y de la nicaragüense Tule Cantón. Muy joven lo trajeron sus padres a Costa Rica. En 1942 se ofreció como voluntario al ejército americano. Fue enviado a Europa en 1944 y tuvo el honor de ser uno de los primeros soldados que entraron victoriosos a Berlín.


Bronnen/Fuentes:

De Belgen in Engeland 1940-1945, Frank Decat

Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial

https://www.fallenheroesproject.org

https://pacificwrecks.com

http://www.brigade-piron.be

Foto’s van de Costa Ricaanse mannen komen uit/Fotos de los ticos tomado del libro : Homenaje a los combatientes costarricenses en la Segunda Guerra Mundial.